In memoriam mijn ouders
In memoriam mijn ouders
Mijn moeder zei altijd: de toekomst werpt zijn schaduw vooruit.
In retrospekt zie ik nu dat ik al vroeg geconfronteerd werd met de dood.
Al op zesjarige leeftijd was er een film en een sprookje die mij lieten zien dat het leven niet oneindig was. Er zouden verdrietige dingen geschieden in ieders leven, in mijn leven. Ik zag de film Bambi. Tijdens die film schrok ik mij kapot en werd verdrietig. Wat gebeurt daarin?
Moederhert loopt met het Bambi het kinderhert door het bos. De moederhert waarschuwt Bambi wel voor de mensen.
Plots is er gevaar. Moederhert roept dat Bambi moet doorrennen en niet achterom kijken. Dan klinkt er een knal.
Bambi weet een schuilplaats te vinden, maar als hij als de kust veilig is gaat zoeken, vindt hij zijn moeder die doodgeschoten is door de jager.
Bambi het kinderhert blijft alleen en ontredderd achter en is erg bang.
Bambi zoekt zijn vader op in het bos en zijn vader neemt hem nu onder zijn hoede.
Dit gaat over verlies van je meest dierbare, verdriet, een gevoel van eenzaamheid en angst voor de dood.
Maar Bambi ontmoet ook Feline en ze worden verliefd. Ze krijgen een tweeling en hoog op een rots staat Bambi met zijn vader trots toe te kijken.
Daar denk ik nu aan terug, nu ik mijn moeder heb verloren. Veel te vroeg, want zij was pas achtenzestig. Ik heb inderdaad het hartverscheurende gevoel gehad van verdriet, ontreddering, eenzaamheid en angst voor de dood. Maar ik heb gelukkig met haar geleefd. Toen mijn moeder geboren werd had de vroedvrouw gezegd er is een engeltje geboren. En zo was mijn moeder ook bij leven. En nu is zij weer een engel, een engel voor God.
Het tweede onderdeel was een sprookje van de Lekturama serie luistersprookjes. Het sprookje heette de boze reus werd een lieve reus. Het ging over een reus die in een kasteel met een grote tuin woont en niets moet hebben van de buitenwereld. Er komen in de lente allemaal kinderen in zijn tuin spelen en hij wil ze wegjagen. Wat doen jullie in mijn tuin? De kinderen haastten zich weg en de reus hing een bord op met streng verboden toegang. En hij bouwde een muur om zijn tuin om iedereen weg te houden. Er kwam geen kinderen meer. Toen kwam de winter en de reus zat kou te lijden in zijn kasteel. Oh wat verlang ik naar de lente, zei de reus. Toen de lente eindelijk kwam, en de vogels weer het hoogste lied zongen, bleef het koud en waaien in de tuin van de reus en de sneeuw bleef liggen. Totdat op een dag er kinderen door het hek kropen en gingen spelen in de tuin. Ze klommen in de bomen en speelden tikkertje en met hoepels. De sneeuw was verdwenen en de zon was aan het schijnen. De kinderen hadden de lente meegebracht.
Behalve een jongetje dat stond te huilen onder een boom. Hij kon niet bij de onderste tak komen. De reus zag het jongetje en kreeg medelijden met hem. Toen dacht hij: ik heb altijd aan mijzelf gedacht. Nu begrijp ik waarom de lente niet in mijn tuin wilde komen. Weet je wat, ik breek de muur af en maak van mijn tuin een kinderspeelplaats. Maar eerst zal ik dat kleine jongetje in de boom helpen. En dat deed hij. Hij tilde het jongetje op en zette hem in de hoogste tak. Het jongetje werd blij en omhelsde de reus.
Iedere lente speelden de kinderen in zijn tuin. Alleen het jongetje werd nooit meer gezien. De reus moest veel aan hem denken. De jaren gingen voorbij. Tot op een zekere winter ziet hij weer het jongetje in zijn tuin in de koude sneeuw. Maar het jongetje heeft bloed aan zijn handen. De reus is heel oud maar toch gaat hij zo snel als hij kan naar het jongetje toe. Je bent teruggekomen, zegt de reus. Maar wie heeft dat gedaan? Dat geeft niet, zegt het jongetje. Kom maar mee, zegt hij, ik wil je wat laten zien. Dan komen ze bij een prachtige boom met gouden takken en witte bloesem. Lang geleden mocht ik in jouw tuin spelen, zegt het jongetje. Nu nodig ik je uit om in mijn tuin te komen. Mijn tuin heet: het paradijs. Die middag komen de kinderen weer naar de tuin toe. Ze zien de oude reus tegen de boom aan liggen. Hij is gestorven.
Mijn vader overleed twee jaar geleden. Hij was al oud en werd bijna vierentachtig. Ik heb hem bijgestaan bij zijn sterfbed en heb goed afscheid kunnen nemen. Maar ik weet: mijn hele leven lang mocht ik spelen in zijn tuin. Nu is hij uitgenodigd om in de andere tuin te komen: de tuin die paradijs heet. En zo weet ik dat mijn ouders nog altijd bij mij zijn. Als je zo bent liefgehad als ik, dan gaat dat nooit meer weg. Het zit in mijn eigen huid besloten.
Reacties
Een reactie posten