Omdenken en thuiskomen in de aard van de werkelijkheid
Omdenken en thuiskomen in de aard van de werkelijkheid
In den beginne was de Geest. De Indianen noemen het de Great Spirit, de naam die mijn persoonlijke voorkeur heeft. Andere benamingen die door de geschiedenis heen gegeven zijn aan hetgeen eigenlijk niet in woorden te bevatten is, zijn in mijn leesgeschiedenis: het vuur, de Logos, de Ene, de onbewogen beweger, het Zijn, de onuitsprekelijke, de Bron, de Natuur, het universele bewustzijn, het kosmische bewustzijn, God, JHWH, Allah, Mazda, Brahman, de Opperbouwmeester, de Monade, het Dinge an sich en de Wil. Alle culturen hebben er een versie van.
Uit de Geest komt de materie voort. Daarom is er dualisme op aarde van geest en materie, met een enkele bron, de Great Spirit, als achterliggende werkelijkheid. Die overtuiging kan ik nu zonder schroom opschrijven, na vijfenveertig jaar studie van het leven. En dat is een opluchting.
Mijn persoonlijke mythologie, geïnspireerd door de mythologie van de serie Transformers, luid vervolgens, dat de Great Spirit door het universum reisde en eenzaam werd. Daarom creëerde hij twee goden: de god van de harmonie, die hoopvol is, en de god van de chaos, die zinloosheid personifieert en uit is op destructie. Uit deze twee goden komen er vele ondergoden. In de mythologie van de serie Transformers komt uit de stamboom van de god van de chaos Megatron en uit de stamboom van de god van de harmonie Optimus Prime. Optimus Prime is de leider van de autobots, streeft het goede na en voelt zich verantwoordelijk voor het leven van alle robots en mensen, voor al het leven op aarde. Optimus Prime is mijn held.
Wanneer ontstaat de levensvonk tijdens de zwangerschap? Dat blijft wetenschappelijk onbegrijpelijk. Vandaar ook de onophoudelijke debatten over de kwestie van abortus plegen. Nou, mijn antwoord is, het leven is er de hele tijd al. Als een constante stroom. Het leven zit er al in bij de zaadcel, de eicel en de bevruchting. Wanneer de foetus groeit, dan is het de levende materie die groeit. Dus de vraag van wanneer wordt het aller begin van het leven bij een ongeboren baby ingeblazen is een vraag die verkeerd om in elkaar zit. De materie, het lichaampje, ontstaat vanuit de bevruchting waar reeds leven in zit. Het leven bij een foetus zit al in de zaad- en eicellen van de ouders, het leven zit in de ouders zelf, en in hun ouders voor hen. En in hun voorouders voor hen, helemaal terug tot het begin van de evolutie; terug tot de eerste mensapen, de eerste landdieren, zeedieren en eencelligen. Terug tot het ontstaan van de aarde, de sterren, de sterrenstelsels, helemaal terug tot de oerknal. Want die oerknal, als die er ooit geweest is, die ontstond uit de Geest. Die Geest, dat is de oerbron van het universum.
Dat evolutiebiologen zeggen dat het leven is ontstaan uit dode materie? Dat lijkt mij een absurde voorstelling van zaken. Het is juist andersom: het leven was er altijd al. Ik denk zelfs zonder begin en zonder einde. Zoals het symbool van de lemniscaat laat zien. En uit dat leven, uit die Geest, daar komt juist materie voort.
De oerknal het aller begin van alles? Nee, de oerknal is het begin van de materie.
Ik heb mijzelf zoveel als ik kon getraind in wetenschappelijk denken. Elke keer als ik een spirituele ingeving had, een beleving of een vermoeden, en daar dan over praatte met mensen, kreeg ik telkens weer een reductionistische of wetenschappelijke, materialistische verklaring. Er was geen Geest. Een beleving werd toegeschreven aan het toeval. Of zonder verband tussen het een en het ander uitgelegd. Of iets was bijgeloof. Of gewoon onzin. God was dood, zo luidde het in de westerse filosofie.
Daarom kostte het mij meer dan veertig jaar voordat ik alle filosofieboeken gelezen had en alle kwartjes weer op zijn plaats mochten vallen. Voordat ik van mijzelf mocht denken dat er een spirituele werkelijkheid is die het meest wezenlijk is van alles, moest ik mij verhouden tot het filosofische en wetenschappelijke denken. Dat krijg je ervan als je in een land leeft waar het ongeloof de dominante stroming is. Nu is het mij eindelijk gelukt uit te stijgen boven het nihilisme, boven het scepticisme, boven het reductionisme, boven het materialisme. De materiële werkelijkheid bestaat echt, maar daar boven, daarbinnen, daaraan vooraf en ook daarna is er de spirituele werkelijkheid. Het domein van de Geest.
Zo zie je maar weer wat ik toch aan die Ludwig Wittgenstein heb, die zei: taal is een ladder die je moet beklimmen. Maar eenmaal bovenaan gekomen moet je die ladder ook weer weggooien.
Ik ben gezegend met een gelijke mate van talent voor de linker- en rechter hersenhelft. Met de ene hersenhelft denk ik intuïtief, associatief, met fantasie en verbeelding, en met de andere hersenhelft denk ik logisch en rationeel. Daarom behoed ik mijzelf voor het te snel concluderen van waarheden over de grote vragen des levens, en ben ik uren, dagen, jaren aan het filosoferen geslagen over de grote thema’s.
Met wetenschappelijk denken komen we tot de meest zekere kennis. Maar die kennis is verre van toereikend. De grote levensvragen blijven over, alleen het denken daarover is met de bagage van wetenschappelijk denken niet meer naïef en zweverig, maar krijgt een sterk fundament. De wetenschap verwijst ons uiteindelijk naar het mysterieuze. Vanaf de deur naar het mysterieuze betreden we de wereld van de spiritualiteit. En ook daarin ben ik begaafd. Maar daar praat ik minder graag over. Waarom? Omdat een groot deel van de mensheid, zeker academici, daarover nihilistisch, sceptisch of cynisch is. En in onze laatmoderne tijd heerst nog altijd die manier van denken. Althans, in de westerse wereld. En ik ben een westerling, dus heb ik mij te verhouden tot de westerse mens en de westerse wijze van denken.
Het is geen sinecure voor mij om te beweren wat ik beweer. Ik heb naar mijn eigen maatstaf namelijk rekening te houden met vooraanstaande wetenschappers, sceptici, atheïsten, rationalisten, logici, etc. Waar het debat al sinds de Oude Grieken in hedendaagse termen op neerkomt, is bijvoorbeeld verwoord door de natuurkundige Stephen Hawking. Die zei dat er een kans is van 50% dat de materiële werkelijkheid de enige werkelijkheid is, en dat er een 50% kans is dat wij in een simulatie leven. Zijn persoonlijke voorkeur ging uit naar de materiële werkelijkheid. Hij zei: het universum heeft geen God nodig om op gang te komen. Omdat intellectuelen als hij dergelijke dingen beweren, en dergelijke wetenschappers nogal prominent aanwezig zijn op het toneel in de westerse wereld, voel ik mij in een positie verkeren dat ik voor mijzelf de noodzaak zie om tot in de puntjes te kunnen onderbouwen waarom ik het anders zie dan zij. Ik kan met mijn wereldvisie bij dergelijke denkers niet voor de dag komen met mijn talrijke spirituele ervaringen die het dominante wetenschappelijke paradigma tegenspreken, want ik voel aan mijn theewater dat dat tot niets anders leidt dan tot afwijzing, onbegrip en ongeloof. Gevreesd mag zelfs worden dat het leidt tot stigmatisering. En daar laat ik mij niet voor lenen, geachte lezer.
Maar als er een 50% kans is dat er een werkelijkheid is van de Geest die vooraf gaat aan de materiële werkelijkheid, dan is de volgende vraag meteen: kunt u dat bewijzen? En laat dat nou net niet de bedoeling zijn. Dat heeft bijvoorbeeld ook Erasmus gezegd (God heeft niet gewild dat wij toegang krijgen tot bepaalde gebieden) en Immanuel Kant (Het Dinge an sich is voor de mens onkenbaar). Aan het eind van de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw, was er in intellectuele kringen een grote belangstelling voor het spiritisme. Er werden overal seances gehouden, van in de franse salons tot in het Witte Huis, en zogenaamde paragnosten die beweerden met overledenen te kunnen communiceren, schoten als paddestoelen uit de grond. Daar zaten natuurlijk ook veel charlatans tussen. Maar een club intellectuelen onder leiding van de vermaarde franse filosoof Henri Bergson richtte een club op om bewijs te verzamelen voor het bestaan van de geestwereld. Zij maakten gebruik van opname apparatuur en voerden vele herhaalde experimenten uit in het bijzijn van beroemde paragnosten. In verslagen vermeldden zij dat zij zeer veel buitengewone, bovennatuurlijke fenomenen hebben ervaren, maar het gelukte hen alleen niet om dergelijke fenomenen dermate herhaald vast te leggen dat er sprake kon zijn van significant bewijsmateriaal. Dit komt natuurlijk omdat bovennatuurlijke fenomenen niet op recept afhaalbaar zijn. Zij komen voor, en kwamen ook voor tijdens de seances, maar zodra men het op band wilde leggen en om een herhaling vroegen, kregen zij nul op het rekest. Daardoor blijven wij zitten met de ene helft van de mensheid die gelooft in de spirituele wereld, en de andere helft die er niet in gelooft.
Het definitieve uitsluitende bewijs zal nooit geleverd worden. Want zo heeft de Grote Geest het namelijk niet bedoelt. Een theory of everything is een overschatting van onze mogelijkheden. En daar moeten wij het mee doen. Misschien is dat maar beter ook, want zeg nou zelf, een wereld die ontdaan is van alle mysteriën zou een hele saaie wereld zijn. Ik denk dat alle plezier en verwondering in het leven ons dan ontnomen zou worden. Maar één ding is zeker: ik laat mij niet meer aanpraten dat de materiële werkelijkheid de enige werkelijkheid is die er is. Mijn geloof en mijn spirituele levenservaringen zeggen mij voldoende.
En voor hen die die ervaringen niet hebben, maar wel willen ervaren, heb ik een aantal tips. Je kunt een glimp krijgen van die andere kant van het leven. Door poëzie te lezen, door je onder te dompelen in de natuur, door aan transcendentale meditatie te doen, door met geestverruimende drugs te experimenteren, en door levenslange oefening met de filosofie, van Plato tot Augustinus tot Meister Eckhart, van Ervin Laszlo tot Bernardo Kastrup. U kunt zelfs beginnen met nieuwste thriller van Dan Brown.
Reacties
Een reactie posten