Een overzicht van mijn Cultuurgeschiedenis deel 1

Dit is mijn verhaal (longread)


Ik ben redelijk patriottistisch. Ik heb een zeker eergevoel, een bepaalde trots voor Nederland. Nationalistisch of chauvinistisch ben ik zeker niet. Ik ben ook niet perse trots op onze geschiedenis. Ik ben niet trots op onze christelijke kerstening, cultuurgeschiedenis of calvinistische ethiek. Ik ben niet trots op de zwarte bladzijden van ons koloniaal verleden. Toch heb ik een sterk eergevoel voor mijn wortels (en identiteit) die geheel en heel diep liggen in dit vlakke land met zijn deltawerken, grote havens, molens, afsluitdijk en helaas kleine natuurgebieden. Dit eergevoel is moeilijk te definiëren maar bezit ik wel degelijk. Ik heb geen superioriteitsgevoelens, ik ben een universalist, maar wel ook een cultuurpessimist.

Ik heb mijn afkomst onderzocht en mijn identiteit door de jaren heen vormgegeven. Uit mijn DNA blijkt dat mijn wortels geheel afkomstig zijn uit Noord-West Europa. Daar zit een deel Engeland bij, een deel Scandinavië en een beetje Duitsland, maar voor meer dan zestig procent in de Nederlanden, al voor het begin van onze jaartelling.

Er zit dus ook DNA in mijn bloed van Germaanse stammen die hier gewoond hebben als de Juten, Friezen, Bataven, Angelen en de Saksen. Nederland was toen nog een erg drassig, waterig en moerasachtig landje. Jagers verzamelaars woonden hier eerst, vissers en boeren, Neanderthalers zelfs. Interessant toen ik op een goed moment naar de roots van mijn spiritualiteit ging zoeken. Die liggen dieper dan het christendom. Die liggen in het diepgevoelde animisme van de heidense Indo- Europese volkeren.

Nederland werd toch gekerstend zoals we weten, in de jaren nadat ons gebied een tijd lang onderdeel was geweest van het Romeinse Rijk, door geestelijken waarvan Bonifatius en Willibrord de bekendste zijn, en gedurende heel de Middeleeuwen werd zowat iedere Nederlander christen. Iedere Europeaan werd christen zelfs.

Behalve christelijk waren de meeste mensen boer. Gedurende de gehele middeleeuwen leefden onze voorgangers in het feodale stelsel. Dat wil zeggen dat de grond waarop mensen konden wonen in eigendom was van grootgrondbezitters en via een leenstelsel mochten mensen werken en wonen op het land van de leenheer. Het was een standenmaatschappij. In grote lijnen waren er drie standen: de geestelijkheid stond bovenaan, gevolgd door de adel en daaronder de boerenstand. Met de boerenstand moeten we denken aan zo’n negentig procent van de bevolking.

De Romeinen hadden in ons landgebied al enkele steden gebouwd, waarvan Nijmegen de bekendste is. In het midden van de Middeleeuwen werden ook steden gebouwd en de gezaghebbers verleenden stadsrechten, waardoor die steden bijvoorbeeld ook belasting konden heffen. Er werden belangrijke uitvindingen gedaan in de landbouw en er kwam dientengevolge een voedseloverschot. Daarbij werd verplaatsen en handel drijven ook veiliger, wat tot gevolg had dat in de late Middeleeuwen de verstedelijking exponentieel toenam. De handel nam toe en er ontstond een nijverheidssector. Veel mensen trokken naar de steden. Dit kwam met name vanwege dat het veiliger was omdat steden stadsmuren hadden en omdat de regel was dat als je een jaar in een stad had gewoond, je tot een vrij man verklaard werd. De vrijheid van de leenheer lonkte. In de steden ontstonden meer beroepen dus er ontstond een vorm van arbeidsdeling. Vakmensen en handelaren verenigden zich om hun belangen te behartigen en zo ontstonden de gilden. Binnen de gilden heerste een strikte hiërarchie. Onderop stond de leerling, die kon na een aantal jaren promoveren tot gezel en bovenaan stond de meester. De meester was eigenaar van de werkplaats, gaf leiding en mocht zijn eigen producten verkopen. Als gezel, maar zeker als meester kon je aardig goed een gezin onderhouden. 


Na eeuwen van voornamelijk ruilhandel werd geld in de late Middeleeuwen veel belangrijker. Voorheen werden macht en rijkdom puur op grondbezit gebaseerd. Geld maakte handelaren onafhankelijker van de adel, waardoor de traditionele feodale structuur langzaam verzwakte. De opkomst van munten en vroege vormen van bankieren maakte het mogelijk om luxeproducten over grote afstanden te verhandelen en kapitaal op te bouwen. Kijk, daar doet het woord kapitaal zijn intrede. Van het kapitalisme zouden we nog veel gaan horen. 


Van armoede is dan nog moeilijk te spreken, omdat de meeste mensen boer waren. Er was wel verschil tussen horigen en vrije boeren, dat verschil zat hem in comfortabel leven maar ook in de mate van vrijheid. 

Een overgang van de middeleeuwen naar de nieuwe periode werd gekenmerkt door de grote scheuring in de christelijke kerk. Geestelijken als Maarten Luther en Johannes Calvijn kwamen in opstand tegen de vele wanpraktijken die waren ingeslopen in de katholieke kerk. De weelderige rijkdom van geestelijken en de aflaatpraktijken zijn hiervan de meest sprekende voorbeelden.

Als ijkpunt voor de Reformatie wordt gezien de 95 stellingen die de Augustijner monnik Luther openbaar maakte in 1517. Hij klaagde onder meer ook over het machtsmisbruik binnen de kerk. Het leidde tot een scheuring binnen de kerk en zo is het protestantisme geboren. Iemand als Erasmus van Rotterdam was ook zeer kritisch op de wanpraktijken binnen de kerk, maar deze wilde hervormingen doorvoeren zonder een breuk te bewerkstelligen binnen de kerk. Erasmus en Luther zijn ook met elkaar in debat gegaan en schreven allebei een boek dat handelde over de kwestie van de predestinatie en de menselijke vrije wil. Erasmus liet in zijn geschrift iets over aan de vrije wil van de mens, terwijl Luther volhield dat het menselijk lot gepredestineerd is en volledig in handen van Gods genade.

Erasmus was christen maar ook humanist. Hij was wellicht de grootste Europese geleerde van zijn tijd. Hij schreef het satirische boek De lof der zotheid, waarin de godin zotheid een lofrede op zichzelf houd en haar algemene weldaden prijst. Tegenover de vele zotten staan de weinige wijzen, die door de massa werden vermeden. Zij waren wijs, bedroefd en ongelukkig en mochten alleen van hun wijsheid genieten. Een belangrijk boek en onlangs nog opnieuw uitgegeven.

Erasmus bleef binnen de katholieke kerk, Luther en Calvijn werden protestant. Een belangrijk verschil tussen katholieken en protestanten is dat de katholieke kerk op het standpunt staat dat mensen weliswaar zondig zijn, maar door goede werken in het leven te verrichten toch een plek in de hemel kunnen verkrijgen. Zij staan daardoor iets losser en vrijer in het geloof. Bij de protestanten heerst het devies dat God heeft uitverkoren wie tot de christenen behoort en zal behoren en de rest van de wereldbevolking valt buiten de boot. Zij zijn niet te redden, tenzij God heeft bedacht dat zij zich bekeren tot het christendom. Hen wacht na de dood de hel, om het maar heel duidelijk te stellen. Protestanten moeten zich bekeren, schuld belijden, en de genade Gods ontvangen. Het schuldbesef van de eigen zondigheid is een wezenlijk kenmerk van christenen.

Door verloop van tijd ontstonden er talrijke opsplitsingen binnen de protestantse kerk als gevolg van twisten over hoe de Bijbel geïnterpreteerd en beleden diende te worden. Had de slang in het paradijs nou echt gesproken of moest dat metaforisch gezien worden? Dergelijke vragen leidden tot afsplitsingen, waarbij de nieuw ontstane kerken elkaar overtroefden in gestrengheid.

In toekomstig Nederland werden wij overwegend calvinistisch. Wat echt typisch calvinistisch is wat tot in de haarvaten van de Nederlandse cultuur is gaan zitten is de soberheid, wat zich vooral uit in een zeer sterk arbeidsethos. Hard werken, plichtsbesef en discipline worden gezien als deugden en een manier om God te eren. Verder is erg calvinistisch enorme zuinigheid en warsheid van uiterlijk vertoon. Pronken met rijkdom is uit den boze. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Ook is het calvinisme sterk moralistisch. Er wordt een sterke focus gelegd op het geweten en normen en waarden, wat er mede voor zorgt dat Nederland hecht aan regels en organisatie. Het arbeidsethos heb ik zelf ook meegekregen en God weet hoeveel last ik heb gehad van het calvinistisch moralisme. 

Nederland als land bestond toen nog helemaal niet. We werden onderdeel van het Bourgondische en Habsburgse Rijk. We hebben onder vele heersers Karel de Grote, Karel de Stoute en Karel de Vijfde gekend. Net als een hele serie Europese Filipsen. Onder Filips de Tweede was Nederland onderdeel van de Spaanse Nederlanden en in 1568 brak onder leiding van Willem van Oranje de Opstand uit, de onafhankelijkheidsstrijd van Nederland die ook bekend staat als de Tachtigjarige Oorlog.


De oorzaak van de Opstand was de Beeldenstorm in 1566. Protestanten gingen op oorlogspad en vernielden op grote schaal katholieke kerken en beelden. De Spaanse Nederlanden waren katholiek en de opstandelingen ontworstelden zich hieraan.

Willem van Oranje, zijn aanhangers, zijn watergeuzen en zijn opvolgers wonnen de oorlog uiteindelijk van de Spanjaarden, waarop onze natie uitgeroepen werd als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Oranje zelf werd in 1584 vermoord in Delft door Balthazar Gerards, een Franse huurling, en Willem van Oranje, die ook wel Willem de Zwijger genoemd werd, kwam bekend te staan als de Vader des vaderlands. Ons volkslied gaat over hem. Zijn opvolger was zijn zoon prins Maurits, een bekwaam legerleider. In 1581 werd de Spaanse koning met de Plakkaat der Verlatinghe afgezet en in 1588 werd de Republiek uitgeroepen.

De zeventiende eeuw kende grotendeels de gehele eeuw een ongekende bloei op het gebied van handel, filosofie, wetenschap en kunsten.
In de wetenschap blonken wij intellectueel uit door middel van uitvindingen die gedaan werden op het gebied van wis,- natuur, - en sterrenkunde maar ook biologie. Vooraanstaande geleerden waren mensen als Christiaan Huygens, Antonie van Leeuwenhoek en Hugo de Groot. Hugo de Groot was jurist en grondlegger van het volkerenrecht. Om iets over de kunsten te zeggen, die konden ontstaan dankzij een bloeiende handel: in het Rijksmuseum en het Mauritshuis kunnen wij nog de Hollandse Meesters bewonderen als Rembrandt van Rijn, Jacob van Ruysdael, Frans Hals, Jan Steen en Johannes Vermeer.
Wij hadden ook een bloeiende letterkunde. De grootsten hiervan waren P.C.Hooft, Bredero, Jacob Cats en Joost van den Vondel.

Ook qua macht en politiek groeide onze Republiek uit tot een wereldmacht. Dat begon ongeveer net voor de wapenstilstand tijdens de oorlog dat we het Twaalfjarig Bestand noemen, die liep van 1609 tot 1621. De functie van minister president heette toen ter tijd raadspensionaris en de twee bekendste uit de zeventiende eeuw waren Johan van Oldenbarnevelt en Johan de Witt.

Er was een machtsstrijd gaande tussen de Orangisten oftewel de prinsgezinden en de staatsgezinden. Leden van koning Willem Alexanders voorvaders waren vaak stadhouder, de machtigste positie, en tevens opperbevelhebber van het leger. In periodes werd deze functie van stadhouder afgeschaft, vandaar dat wij die periodes kennen als het Eerste en het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. De familie van Oranje-Nassau en familieverwanten en hun aanhang wilden een monarchie stichten. In feite zijn zij hier ook in geslaagd, zodat wij heden nog leven in het Koninkrijk der Nederlanden. De macht van de koning was aanvankelijk groot en die van hun voorgangers de stadhouders ook.

De eerste zeventiende eeuwse machtsstrijd tussen Orangisten en staatsgezinden ging tussen de kopstukken prins Maurits en Johan van Oldenbarnevelt. Prins Maurits won de strijd en Johan van Oldenbarnevelt werd veroordeeld en onthoofd in 1619. De tweede keer was in 1650 en na de plotselinge dood van stadhouder Willem || ging het Eerste Stadhouderloze Tijdperk in onder leiding van Johan de Witt. De derde keer was toen de Republiek in een grote militaire crisis zat in het Rampjaar 1672. Er ontstond onder het volk een grote woede en Johan de Witt en zijn broer werden als gevolg daarvan in Den Haag gelynched. Willem ||| volgde Johan de Witt op als leider van het land als stadhouder.

In 1602 werd de gigantische handelsmaatschappij de VOC opgericht en niet lang daarna de WIC. Daarmee voeren Nederlandse schepen van oost tot west de wereld over. Dit werd de koloniale periode. Wij dreven handel met verschillende landen en onderdrukten en buitten deze landen en hun inwoners volledig uit: Indonesië, Papoea-Nieuw Guinea, Brazilië, Suriname en de Caribische eilanden. Omwille van de handel hebben de Nederlanders terplekke soms meedogenloos huisgehouden en werden er bijvoorbeeld wel eens complete dorpen afgebrand of mensen geëxecuteerd. De lucratieve handel werd zwaar bevochten of afgedwongen. We hebben slaven gedreven in de Atlantische slavenhandel die pas in 1863 weer werd afgeschaft. Nederland verdiende bakken met geld en met name de koopmannen en de adel werden schathemeltje rijk in deze Gouden Eeuw.

De doorwerking van deze koloniale periode van ons land zorgt heden ten dage nog voor de relevantie om daarop terug te kijken en proberen lessen van te leren. Het gekleurde deel van onze bevolking wijst ons terecht op de ongelijke behandeling die zij ervaren en die vond in de slavernij periode zijn oorsprong. Ondanks officiële excuses van de koning en de regering en diverse gemeenten voor de Nederlands rol in de slavernij en in Indonesië tijdens de onafhankelijkheidsstrijd aldaar, is het racisme en discriminatie helaas nog niet geheel verdwenen. Racisme en discriminatie zijn zelfs ingebakken in onze instituties. Schandelijke praktijken als de toeslagenaffaire zijn een schrijnend voorbeeld van hoe discriminatie en ongelijke behandeling vandaag de dag nog plaatsvindt. Het is belangrijk om te blijven luisteren naar de verhalen van gekleurde Nederlanders. Zij horen er bij en zijn onderdeel van ons gezamenlijk Nederland en hebben dus een gelijkwaardige stem en positie nodig. Dat verdienen zij.

De periode van het Twaalfjarig Bestand was ook de periode van de godsdiensttwisten (1609-1621). Dit was een intern protestants conflict met aan de ene kant de gematigde remonstranten en aan de andere kant de orthodoxe contraremonstranten. Ook wel de rekkelijken en de preciezen genoemd. De vooraanstaande geestelijken in deze strijd waren Jacobus Arminius (remonstrant) en Franciscus Gomarus (contraremonstrant).

De strijd tussen beide stromingen ging enerzijds over of de staat zich mocht bemoeien met kerkelijke zaken en anderzijds, meer theologisch, over de predestinatieleer. Beschikt de mens over enige vrije wil of ligt zijn lot volledig besloten in Gods handen? De remonstranten waren van mening dat er ruimte was voor de vrije wil en dat je door een goed leven te leiden ook in de hemel kon komen. Eigenlijk precies waar Erasmus en Luther ook al over hadden gedebatteerd. De Gomaristen trokken aan het langste eind, dat was een resultaat van een synode die in Dordrecht gehouden werd, de Dortse Synode (1618-1619), waarin de orthodoxen bepaalden hoe de protestantse kerk zich voortaan ging opstellen. De remonstranten bestaan desondanks nu ook nog steeds.

De Gouden Eeuw bracht ook één van de belangrijkste Nederlandse filosofen voort, de Joodse zoon van Portugese vluchtelingen Baruch de Spinoza. Hij wordt tegenwoordig kort samengevat gezien als de grote vrijheidsfilosoof en criticus van de Bijbel door te wijzen op de vele ongerijmdheden in dat boek. Voor Spinoza was God niet de God zoals in de Bijbel, maar God was overal aanwezig in de Natuur. Ja, God staat gelijk aan de Natuur. We noemen deze vorm van geloof het pantheïsme. In zijn boek de Ethica, die hij op een mathematische methode heeft uitgewerkt, stippelt hij systematisch de weg uit die leidt tot vrijheid. Die kan alleen bereikt worden indien men beseft dat alles gedetermineerd is.

Ook een belangrijke Franse filosoof verdient hier een plaats, omdat die ons filosofisch denken sterk heeft beïnvloedt, en dat is René Descartes. Vanwege de tolerante sfeer in de Republiek en de relatieve vrijheid van meningsuiting en drukpers die wij hier hadden (en wijdverspreid om bekend stonden), heeft Descartes een groot deel van zijn leven in Nederland gewoond. Hij heeft belangrijke bijdragen geleverd aan de wiskunde en is daarnaast het meest bekend vanwege zijn filosofische gedachte-experiment om een methode te ontwikkelen om tot zekere kennis te komen. Hij deed dit door aan alles te twijfelen, waardoor het enige dat overbleef waaraan hij niet kon twijfelen het feit is dat hij bestaat omdat hij een denkend wezen is. Ik besta omdat ik denk; ik denk dus ik ben: cogito ergo sum.

Daarnaast is heel belangrijk dat hij het cartesiaanse dualisme heeft bedacht. Hij stelt dat er niet één maar twee werkelijkheden zijn: die van de materie en die van de geest. Het lichaam is materie en neemt ruimte in. Het bewustzijn is geest en niet materieel, en neemt geen ruimte in. Deze twee zijn strikt gescheiden. Zo gezegd klinkt het simpel, maar deze opvatting zette de hele filosofische tak van het lichaam-geest probleem op poten. Een belangrijke vraag die we bij het dualisme kunnen stellen, is: hoe kan de niet-materiële geest de materie beïnvloeden? Dat dat gebeurd is duidelijk: ik denk bijvoorbeeld dat ik een takje van een boom afbreek en voer het vervolgens uit. Van denken (geest) naar doen (uiting in de materiële werkelijkheid). Over filosofische standpunten in dit mind-body probleem zoals het monisme, dualisme en materialisme kan ik uren blijven nadenken.

Binnen Europa werden in de zeventiende eeuw telkens weer gruwelijke oorlogen gevoerd om macht en invloed in Europa en het jaar 1672 kwam voor Nederland bekend te staan als het Rampjaar. Ons land werd tegelijkertijd van drie kanten aangevallen: vanuit Engeland, vanuit Frankrijk en vanuit twee bisdommen uit Duitsland. Admiraal Michiel de Ruyter vervulde met zijn Nederlandse vloot een heldhaftige rol in onze verdediging die ons behoedde van de ondergang. De angst onder de bevolking die toen leefde was intussen groot. Het laatste kwart van de zeventiende eeuw was de ongekende bloei wel voorbij en werd meer een periode van consolidatie.

Tot zover in deze korte, lineaire schets van onze geschiedenis is mijn familiestamboom nooit getraceerd. De eerste voorvader van mijn stamboom van vaders kant met de achternaam Baars rijst wel op in de Gouden Eeuw, namelijk in 1640, toen in een plaatsje dat ‘s Gravenmoer heet in de Hoeksche Waard Hendrik Aertsen van Baers geboren werd. Hij trouwde met Dingena Cornelis Pruist en zij kregen een zoon die zij Christoffel Hendrikszoon van Baers noemden. De naam Baars verwijst vermoedelijk naar de oorsprong van hun beroep van zalmvissers of handelaren in de Middeleeuwen. Van ‘s Gravenmoer verplaatsten mijn voorvaders zich naar het gewest Holland, in de omgeving onder de rook van Rotterdam. Eerst Zuid Beijerland en toen Oud Beijerland. Veel verre familieleden die ik nooit ontmoet heb en sommigen die ik wel ken wonen daar nog steeds.

Van mijn moeders tak van mijn stamboom ging het verhaal dat zij afstamden van de Franse Hugenoten. Mijn moeder had ook nog altijd een kettinkje om haar nek met het Hugenotenkruis. Deze legende is echter nooit geverifieerd. Het zou ook net zo goed kunnen zijn dat zij alleen vriendschappelijk gelieerd waren aan Franse Hugenoten. Ik heb het nooit aan mijn moeder kunnen vragen aangezien zij al was overleden toen ik de leeftijd kreeg dat ik mij ging interesseren voor mijn achtergrond.

Hugenoten was de benaming van protestanten in Frankrijk in de 16e, 17e en 18e eeuw. Calvinisten om precies te zijn. Zij werden in het katholieke Frankrijk flink aangepakt, tegengewerkt en vervolgd. In 1685 werd het Edict van Nantes ingetrokken waardoor de Hugenoten in feite vogelvrij werden verklaard. Het vervangende Edict stelde het openlijk belijden van het calvinisme strafbaar dat bij veroordeling leidde tot confiscatie van bezit.

Daardoor werden zij voor de keuze gesteld: of terugkeren in de Moederkerk of emigreren. Daarop vertrokken rond de eeuwwisseling van 1700 zo’n 300.000 Hugenoten naar het buitenland, waarvan zo’n 70.000 naar Nederland. Een groot deel daarvan vestigde zich in Amsterdam en sloten zich aan bij de Waalse kerk. Daar werden de preken in het Frans gehouden. Zij waren onderdeel van de Nederlands Hervormde Kerk, die tot 1815 de Nederduitse Gereformeerde Kerk werd genoemd. Hier ging ook de beter gesitueerde burger naar de kerk en ook de leden van het Oranje-vorstenhuis gingen hier naartoe.

Mijn moeders kant van de stamboom is terug te voeren tot die tijd en hebben van generatie op generatie in Amsterdam gewoon en zijn inderdaad daar altijd naar de Waalse kerk gegaan. Mijn oma sprak zelfs nog behoorlijk goed Frans. Voor zowel mijn moeders kant van de stamboom als mijn vaders kant geldt dat zij lid waren van de Nederlands Hervormde Kerk. Ook ik ben in 1980 nog gedoopt in de Hervormde Kerk te Leusden.

In de achttiende eeuw was Nederlands dominante positie economisch gezien over haar hoogtepunt heen. Andere landen zoals Engeland, Frankrijk en Spanje hadden ons ingehaald. We raakten economisch in het slop, er ontstond grote werkloosheid en de armoede nam toe. De zorg voor de armen was overgeleverd aan liefdadigheid en de armenzorg. Die werd geregeld door de kerkelijke wereld en werd de charitas genoemd. Mensen met psychische zwaktes werden van de maatschappij weggestopt in zogeheten dolhuizen. Daar werd niet zuinig over gedaan om mensen daar naartoe te verwijzen. Ook epileptici of criminelen kwamen daar vaak terecht. Van psychische zorg was toen nog helemaal geen sprake. Dat duurde nog een eeuw om op gang te komen. Ik leerde dat als er grote misstanden zijn, dat het vaak nog behoorlijk lang kan duren voordat de maatschappij daartegen in beweging komt. 

Over de achttiende eeuw waarin wij wel een Republiek bleven is van belang te benoemen dat er aan het einde van de eeuw een burgeroorlog uitbrak. Opnieuw brak er een strijd uit tussen de Orangisten en de staatsgezinden net als de eeuw daarvoor. Dit keer moesten de leden van Oranje-Nassau het niet alleen opnemen tegen de regenten, maar tegen een nieuwe groep: de patriotten. Deze groep bestond uit verlichte burgers en ontevreden regenten en zij eisten dat het volk meer politieke macht kreeg.


Zij eisten ingrijpende hervorming en begonnen zich te bewapenen. Dat leidde tot oproer, geweld in verschillende steden en uiteindelijk een korte periode tot een burgeroorlog. Een Pruisisch leger trok daarop het land binnen en herstelde de orde, waarop vele patriotten naar Frankrijk vluchtten en de macht van Willem 5 kon worden hersteld. De periode waarin de patriotten de politiek domineerden van 1780 tot 1787 wordt de patriottentijd genoemd.

In Frankrijk kwam Napoleon aan de macht en die was van plan de wereld te veroveren. In 1795 trokken Franse troepen ons land binnen en wij kwamen onder Frans bewind te staan. Deze periode duurde van 1795 tot 1813 en kent drie fases: De Bataafse Republiek (1795 - 1806), Koninkrijk Holland (1806 - 1810) en inlijving bij het Franse Keizerrijk (1810 - 1813). Enkele ontwikkelingen van blijvend belang tijdens deze periode zijn de invoering door Napoleon van de burgerlijke stand (verplichte achternamen en registratie van geboorte, huwelijk en overlijden), het metriek stelsel en het leggen van de basis voor de Nederlandse wetboeken, de zogenaamde Code Napoleon.

Daarna kwam ons land in een overgangsperiode wat uitliep op het staatskundige model dat we nu hebben: het Koninkrijk der Nederlanden. Er werd een grondwet opgesteld die de macht bij de vorst legde en een Willem werd koning Willem |. Hoe Nederland zich ontwikkelde en onze cultuurgeschiedenis verliep in de negentiende en twintigste eeuw leest u in het vervolg op deze blog de volgende keer.


Bronnen: mijn geheugen (90%), wikipedia (5%) en google AI (5%)

Reacties

Populaire posts van deze blog

De bescherming van GGZ-patiënten moet worden hersteld. Een oproep.

Het demasqué van het vooruitgangsgeloof

Brief aan Rutger Bregman